Toen we voor het eerst aankwamen in Nelson, Nieuw Zeeland, stapten we bezweet uit de bus en liepen als vanzelfsprekend in de richting van het centrum van het stadje. In de hoofdstraat stopten we kort voor een snelle hap bij Subway's. We liepen verder, rechtsaf de straat in. Richting de kathedraal en hopelijk in de richting van een heerlijk zacht bed en een goede nachtrust.
Toen we op het centrale plein aankwamen, voor de kathedraal, zagen we pas dat we een aantal backpackershostels hadden gemist. Ze zaten her en der verstopt tussen de kleine winkels. Omdat we niet echt veel puf en zin meer hadden om bepakt met die grote rugzakken terug te gaan, besloten we gewoon rechtdoor te lopen en het eerste hotel naast de kathedraal binnen te lopen. Er zou aan de linkerkant van de kathedraal een mooi hotel moeten zijn, hadden we gehoord.
We kwamen bij een oud gebouw met backpacks op de veranda, een teken dat we goed zaten. Een man met een veel te brede glimlach liep toevallig met naar buiten, terwijl ie iets naar binnen riep. Hij bleef stilstaan en begon te glimlachen toen ie onze vermoeide gezichten zag. De eigenaar, want dat bleek hij te zijn, nodigde ons uit om binnen te komen en presenteerde ons een redelijk geprijsde kamer voor de komende nacht. Uiteraard hapten we per direct toe.
De volgende morgen besloten we eerst een bezoekje aan de kathedraal te brengen, het ding stond immers recht voor onze hoteldeur. Met zonlicht dat zacht brak op de lichte dauw die om de kathedraal hing, zag het gebouw er nog indrukwekkender uit dan de avond ervoor. Op het veldje voor de verder (nog) lege kathedraal bemerkten we een oude man met een aapje. Het leek erop dat de man zichzelf aan het installeren was voor de dag, om schilderijen te verkopen aan toeristen en kunstliefhebbers. Zowel de man als zijn aap zogen met de regelmaat van een secondenwijzer aan forse, mogelijk Cubaanse, sigaren. We zagen de rook langzaam wegdwarrelen en oplossen in de laaghangende dauw.
Geïntrigeerd als we waren door dit vreemde beeld, vroegen we de man in ons beste Engels hoe het met hem ging. In Engelssprekende landen bestaat de standaardbegroeting altijd uit deze vraag, zonder dat er een antwoord verwacht wordt. Deze man antwoordde ons. "Fine," zei hij, "I just love the mornings." De man bleek ene Carlos Gallupa te zijn. Omdat we toch nergens heen hoefden die dag, vroegen we hem naar de aap en Carlos begon aan zijn levensverhaal.
Geïmmigreerd vanuit Cuba, arriveerde hij in de vroege jaren zeventig in Nieuw Zeeland. Hij kreeg een baan in een reeds lang failliete fabriek in Christchurch en kwam uiteindelijk in Nelson, waar hij kleine schilderijtjes verkocht aan toeristen. Kleine schilderijtjes. Als hij een schilderijtje per dag verkocht, kon hij daarvan in ieder geval voor die dag eten en een slaapplaats regelen. Hij sliep vaak bij vrienden, die hij graag betaalde. Om hen niets schuldig te zijn en ook niets te kosten. En zo bekeek hij het elke dag opnieuw.
De aap was een geschenk van een goede vriend en was al jaren bij hem. Carlos vertelde ons dat na jaren veel te hard werken, de vrijheid van zijn huidige leventje hem veel mentale rust bracht. Met een bovengemiddelde interesse in de medemens, besloot hij zijn inkomsten nog wel iets te verhogen door zo nu en dan als gids het prachtige Abel Tasman aan toersiten te laten zien. Op die manier kon hij altijd zijn verhaal kwijt en had hij de mogelijkheid te luisteren naar de verhalen van anderen, van over de hele wereld. In het noordelijke deel van het zuidereiland van Nieuw Zeeland kent iedereen wel een versie van zijn verhalen..
Na een vol uur van schitterende verhalen en aandachtig luisteren, gaf Carlos ons een klein schilderij van zijn aap, uiteraard met de bijbehorende sigaar in zijn mond.
Terug in Nederland, konden we het beeld van de ultieme vrijbuiter met zijn aap maar moeilijk uit ons hoofd krijgen. Zijn verhal
